Het kan nóóit hetzelfde. Het moet altijd weer anders. Het gáát altijd weer anders. Soms zou ik willen dat het anders was. Maar dat is het niet. Het ene moment staan de woorden netjes op de regel, een tel erna zweven ze erboven. Is de buik van de d dik, dan weer smal. Hoog. Krap. Het is maar een voorbeeld. Met de pen schrijven is sowieso m’n sterkste punt niet trouwens. Misschien had ik dokter moeten worden.
“Wilt u een klantenkaart?” Klantenkaarten, ook zoiets. Een beetje betalen met je gegevens. Dank je de koekoek. Maar dan nog, hoe vaak kom ik hier terug? Ja ik waaide toevallig deze toko binnen en godzijdank vond ik er iets naar mijn gading, maar volgende week sta ik aan de balie bij je buurman. Ik hou van fladderen. Zoals dat heet. Hé, wat is dat daar? Even zien. Even proeven. Even horen. Met een brede blik het leven door en om de haverklap verrast worden door iets. Iemand.
Zo werkt het ook in mijn hoofd. Ik word om de haverklap verrast door mezelf. Hé, wat was dat daar? Zooo wat een statement! Of- wat een gek gevoel? Waar kwam dat vandaan? En daar dan omheen denken. En dan gaan ze stromen. De woorden. Woorden die nooit het daglicht zullen zien. Die ik probeer te reserveren voor later. Waarvan ik van tevoren weet- die vergeet ik voor later. En dat geeft niets, want dan stromen er wel weer andere woorden. Die net zo goed zijn. Iets minder doordacht misschien, maar hé we moeten het wel pratende kunnen houden natuurlijk. Anders waren we wel geëvolueerd tot typende wezentjes. Of wacht..
En dat tref ik! Want nu hoef ik die woorden niet meer te reserveren. Mogen ze eruit. Het daglicht tegemoet. En wat nu het aardige is? Ook jij kunt je hieraan tegoed doen. Zo’n woordenstroom. Opgevist en neergeschreven. Netjes onder mekaar. Zakelijk, of bijzonder onzakelijk. Smakelijk of onsamenhangend. Wat jij wilt. Ik vang ze voor je zoals de GVR dromen vangt. En stop ze in een potje. Dekseltje erop. Voor jou. Om de wereld in te slingeren naar jouw gading.
Voor een paar knikkertjes maar, want herintredende. Nog wel.